Copyright © Henk Filippo 2015. Ontwerp en webdesign Henk Filippo | All rights reserved

Bergwandelen in Italië - achtergrondinformatie

In Italië liggen 2 van de langste Europese gebergten: de Alpen en de Apennijnen, samen goed voor duizenden kilometers wandelplezier.  De populariteit van Italië als wandelland is groeiende, en terecht! Want de Italiaanse bergen verkeren nog in een relatief natuurlijke staat en zijn niet ten onder gegaan aan massatoerisme.

Wandelen in de Apennijnen

In deze gids heeft Henk Filippo al wandelend de Apennijnen verkend en 50 bergwandelingen beschreven.

Bergwandelen in de Italiaanse Alpen

Henk Filippo beschrijft in deze gids de mooiste wandelingen en trektochten van de westelijke en centrale Italiaanse Alpen.


Achtergrondinformatie Apennijnen

De meer dan 1000 km lange Apennijnen vormen de ruggengraat van Italië en strekken zich uit vanaf Ligurië tot aan Calabrië. De variatie is enorm: zeekliffen in de Cinque Terre, grillige marmerbergen in de Alpi Apuane, sappige bergweiden in de noordelijke Apennijnen, hooglandsteppes in de Monti Sibillini, de 3000 m hoge Gran Sasso, en beukenbossen met beren en wolven in de Abruzzen.

De Apennijnen zijn doorspekt met historische dorpen en burchten, Romeinse wegen en paswegen. Aan de voet liggen harmonisch gegroeide steden met centra uit de Middeleeuwen of oudheid.

En dan de rust en de ruimte! Het massatoerisme is geheel voorbijgegaan aan de landelijke uithoeken van de Apennijnen. Het resultaat is een prachtig gebergte vol idyllische valleien met historische stadjes, en een hele serie nationale parken. De Apennijnen zijn een ideaal wandelgebied. De toppen liggen rond 2000 m en zijn binnen enkele uren klimmen bereikbaar. Fantastisch is het feit dat je in de Apennijnen kilometers lang de bergkammen kunt volgen en als wandelaar naar vrijwel iedere top kan klimmen.


Wandelgebieden Apennijnen

In de Italiaanse regio Liguria langs de baai van Genua beginnen (of eindigen) de Apennijnen. De Ligurische Apennijnen tussen de Passo di Calibona (440 m) en de Passo della Cisa (1039 m), komen maar af en toe boven de 1500 meter hoogte uit en de bergen zijn hier dicht bebost. Nog mooier dan de Ligurische heuvels in het binnenland zijn de uitlopers van het gebergte langs de kust van de Middellandse Zee. Prachtige wandelingen kan men maken in enkele natuurgebieden langs de bergachtige kust, zoals het schiereiland van Portofino en het kustgebergte Cinque Terre.

Voorbij de Passo della Cisa strekt zich over ongeveer 300 kilometer lengte de Appennino Tosco-Emiliano uit, het gebergte op de grens van de regio’s Toscane en Emilia-Romagna. Het mooiste en meest natuurlijke deel van dit gebergte is het gedeelte van de provincies Parma, Reggio Emilia en Modena, een bergketen met 7 toppen hoger dan 2000 meter.

Ook de geheel in Toscane gelegen Alpi Apuane, die wordt gescheiden van de hoofdkam van de Apennijnen door de valleien van de Lunigiana en de Garfagnana, worden tot de Apennijnen gerekend. De Alpi Apuane zijn ondanks de geringere hoogte (met toppen tot 1800 meter) een spectaculair gebergte vanwege de verblindend witte marmerbergen en de spitste bergtoppen, die het gebergte de naam ‘Alpen’ gaven. Het zuidelijke deel van de Apennijnen van Tosco-Emiliano is een stuk lager, waarbij de bergtoppen nauwelijks meer boven de boomgrens uitkomen. Dit is een van de groenste en dichtst beboste streken van Italië. Vooral de beukenbossen en sparrenbossen van de Foreste Casentinese, tussen Florence en Forli zijn schitterend met hun afgelegen dorpen en kloosters, maar voor de bergwandelaar die houdt van vergezichten minder interessant.

Na een lang groen en lager middengedeelte van de Apennijnen, beginnen op de grens tussen de Marken en Umbrië de Centrale Apennijnen. Ten oosten van de middeleeuwse stad Gubbio ligt als eerste hoge wandelberg de Monte Cucco.

Op de grens met de regio Abruzzo bereiken de Apennijnen van Ubrië en de Marken hun hoogtepunt bij de bergketen van de Monti Sibillini, beroemd om de bloemenrijke hoogvlakte Piano Grande. Rondom die hoogvlakte ligt een hele rij tweeduizenders, met de Monte Vettore (2476 m) als hoogste.


Dan begint de regio Abruzzo met de Gran Sasso d’Italia, en de Corno Grande (2912 m) als hoogste top van de Apennijnen. Aan de voet van de Corno Grande ligt de bijna afgesmolten Calderonegletsjer, de zuidelijkste gletsjer van Europa. De Abruzzen heeft meer dan 200 Apennijnentoppen hoger dan 2000 meter en heeft vier nationale parken en natuurreservaten: Parco Nazionale d'Abruzzo, Parco Nazionale del Gran Sasso e Monti della Laga, Parco Nazionale della Majella en het Parco Regionale Velino-Sirente.


Achtergrondinformatie Italiaanse Alpen

De 900 km lange Alpenketen vormt de natuurlijke noordgrens van Italië. Als een reusachtige boog omspant het gebergte het Noord-Italiaanse laagland van de Middellandse Zee tot aan Slovenië. De Alpen vormen hier de grens van Italië met Frankrijk, Zwitserland en Oostenrijk. De bergen van Italië kennen een uitgebreid net van paden: oude muildierwegen, historische jachtpaden, pelgrimsroutes of paden die sinds eeuwen worden gebruikt door de plaatselijke bergboeren. Nog altijd liggen er in Italië dorpjes, kloosters en kluizenaarsverblijven die alleen te voet zijn te bereiken.

Bergwandelen in Italië is altijd een avontuur, maar laat je niet ontmoedigen door verhalen over verdwalen en overwoekerde paden! Natuurlijk komt dit in een land als Italië voor, maar de laatste decennia is door de Italiaanse Alpenclub veel werk verzet om oude paden te herstellen, en zijn er veel nieuwe wandelroutes aangelegd en gemarkeerd en er ligt een uitgebreid netwerk van wandelpaden.


De ster van Domolossola
“Bovenop de Simplonpas verlaat je het keurige en stijve Zwitserland en rij je het noordpuntje van Italië binnen. In Domodossola overvalt ons meteen het Italiëgevoel. Onder de arcaden van de piazza Mercato genieten we van een gelato en laten de hitte en de drukte over ons heenkomen. Terwijl de meeste toeristen zich verder haasten naar Locarno of het Lago Maggiore, blijven wij hier om in de bergen rond Domodossola te wandelen …

Lees de 5 redenen om in de ‘Alpi Ossolani’ te gaan wandelen in het artikel van Henk in OpPad.


Winterwandelen boven het Comomeer

Een dun laagje sneeuw kraakt onder onze schoenen. In de vrieskou is de sneeuw alleen blijven liggen op het vlakke pad; op de helling is alle sneeuw op de bergen rond het Comomeer weggedooid door wekenlange zonneschijn. Wat een geluk! Het is bijna Kerst, er zou hier zomaar een meter sneeuw kunnen liggen, maar de weergoden zijn ons gunstig gezind. Een week lang wandelen we over uitgestorven kammen boven het Comomeer. We volgen paadjes die als witte linten door gele en bruine berghellingen slingeren, erboven een diepblauwe lucht en de meest ongelooflijke vergezichten. We genieten een week van een verstild winterlandschap en stijgen letterlijk uit boven de veelheid en hectiek van alledag.

Lees het artikel van Henk in OpPad.

Piemonte

De Italiaanse Alpen beginnen in het westen in de regio Piemonte. Piemonte kent een westelijk deel, langs de grens met Frankrijk, en een noordelijk deel, ten oosten van de Regio Aosta. De westelijke Piemontese Alpen behoren tot de provincies Cuneo en Turijn, en vormen een smalle hoge bergketen, met een twintigtal diepe en korte zijdalen, die uitmonden in de Povlakte. Door het ontbreken van voorgebergten rijzen de Alpen hier als een muur uit de Povlakte op tot boven 3000 meter, met als hoogste top de 3841 m hoge Montviso.

Het noordelijke deel van Piemonte ligt ingeklemd tussen Aosta en de Zwitserse kantons Wallis en Tessin, en bestaat uit de provincies Biella, Vercelli en Verbano-Cusio-Ossola. De Alpen zijn hier breder dan in het westelijk deel van Piemonte en is er een opdeling in een Alpenhoofdkam langs de grens met Zwitserland (Monte Rosagebied, Alpi Ossolani), en ten zuiden daarvan gelegen voorgebergten (Alpi Biellese, Val Grande, Mottarone). Van zuid naar noord de belangrijkste wandelgebieden:

Alpi Marittime

De Alpi Marittime in de provincie Cuneo vormt het zuidelijkste deel van de Alpen (ook wel de Zeealpen genoemd). Een ruig en toeristisch weinig bekend gebergte, in vogelvlucht slechts 45 km van zee. Een groot deel van de Zeealpen is beschermd gebied: de Italiaanse kant in het Parco Naturale Alpi Marittime rond het bergmassief van de Argentera (3297 m). Dit natuurgebied grenst over een lengte van 35 km aan het Franse Parc National du Mercantour, waarmee het in de toekomst mogelijk samengaat tot een internationaal park. De Italianen noemen de Alpi Marritime ‘piccole grandi montagne’, ‘kleine grote bergen’. De Alpi Marittime zijn een geweldig gebied voor wie oog-in-oog wil komen te staan met gemzen en steenbokken. Het uitstekende wandelnetwerk van de Alpi Marritime voert grotendeels terug op het netwerk van jachtpaden, dat Koning Vittorio Emanuele II hier liet aanleggen in de 19e eeuw. Die jachtpaden werden zo goed aangelegd dat je er tegenwoordig nog steeds gebruik van kunt maken. Meerdaagse trektochten door de Alpi Marittimi zijn de 4-daagse ‘Tour dell Argentera’ en de GTA, die de hele Zeealpen doorkruist.

Montviso

Meer naar het noorden ligt de berggroep van de Montviso (3841 m), de meest opvallende en hoogste berg van westelijk Piemonte. Deze‘Re di pietra’ (‘Koning van steen’) steekt met zijn piramidevormige top ver boven de omringende bergen uit. Er loopt een prachtige meerdaagse trektocht rond de Montviso en bij een bron op 2000 m hoogte ontspringt de Po, de langste rivier van Italië (600 km).

Valli di Lanzo

Ten westen van Turijn liggen de stille Valli di Lanzo, de huisbergen van Turijn. Ondanks de nabijheid van Turijn is dit een van de minst toeristische delen van de Alpen. De Valli di Lanzo bestaat uit de drie lange valleien Val Grande, Val di Ala en Val di Viù. De dalen zijn erg steil en diep ingesneden en staan haaks op de muur van bergen die de grens vormt met de Franse Vanoise en Haute-Maurienne. Hoogste en markantste toppen zijn de Uja di Ciamarella (3676 m) en de mythische Rocciamelone (3538 m). Deze laatste is het hoogste bedevaartsoord van de Alpen en werd lange tijd ook beschouwd als de hoogste berg van de Alpen. In de Valli di Lanzo ligt een uitgebreid netwerk van berghutten en wandelpaden.  

Monte Rosa

Het alles overheersende bergmassief van noordelijk Piemonte is dat van de Monte Rosa met zijn gletsjers en 10 toppen boven 4000 meter. De 2300 m hoge oostwand van de Monte Rosa is de hoogste bergwand van de Alpen. Aan de oostzijde van de Monte Rosa kronkelen de lange dalen van Valsesia en het Valle Anzasca richting Povlakte.

Alpi Ossolani

In het uiterste noordpuntje van Piemonte liggen stervormig rond de stad Domodossola de zeven dalen van de Alpi Ossolani. Een goed bewaard geheim, grotendeels vrij van massatoerisme, met gezellige Italiaanse stadjes, middeleeuwse burchten en karakteristieke boeren dorpjes. De belangrijkste Ossola-dalen voor wandelaars zijn (met de klok mee):

Het Valle Antrona, een diep ingesneden dal, dat zich opsplitst in het Val Troncone, en het Val Loranco. Beide dalen worden omringd door steile rotswanden, bergmeertjes en stuwmeren.

De Valle Divedro met het authentieke almdorp Alpe Veglia ligt ingeklemd tussen de Walliser en Tessiner bergen. Een lieflijk gebied van uitgestrekte bergplateaus met bloemenrijke alpenweiden, bruine bergkoeien en azuurblauwe meren op de grens met Zwitserland.

De nauwe benedenloop van het lange rivierdal van de Toce heet Valle Antigorio. Een dal met rotskloven en het hooggelegen dorp Alpe Devero met stuwmeer, lariksbossen en alpenweiden.

De bovenloop van de Toce heet Val Formazza, een ruig gebied met stuwmeren en gletsjers. Het ‘Zwitserse’ karakter van het Val Formazza wordt versterkt door bergdorpen Formazza, Salecchio en Ausone, die gesticht zijn door de Duitstalige Walserbevolking.

Het Valle Vigezzo, heeft een heel eigen sfeer met gezellige Italiaanse stadjes en een nostalgische smalspoorbaan.

Val Grande

Tussen het Valle Vigezzo en het Lago Maggiore ligt de dicht begroeide wildernis van het parco nazionale Val Grande, een van de onbekendste en wildste berggebieden van Italië. Dit berggebied bestaat uit steile bergdalen boven het Lago Maggiore die met zeer dicht mediterraan bos zijn begroeid. De Italianen noemen het nationale park graag de grootste wildernis van de Alpen. Het vroeger bewoonde Val Grande werd in de loop van de 20e eeuw geheel verlaten en heroverd door de natuur. Een trektocht door het Val Grande is een ware onderdompeling in de natuur.

Valle d’Aosta

In de noordwesthoek van Italië ligt de Vallei van Aosta, de kleinste Regio van Italië. In het westen van de vallei ontspringt de bergrivier Dora Baltea uit de gletsjertongen van het Mont Blancmassief, om 150 km verder in de Povlakte uit te monden. De vallei van Aosta heeft ongeveer 10 zijdalen en wordt omgeven door een groot aantal bergreuzen en heeft de meeste gletsjers van de hele Italiaanse Alpen. De vallei behoorde vele eeuwen toe aan de hertogen van Bourgondië en later aan die van Savoye. Dit ‘stukje Frankrijk in Italië’ werd in 1861 onderdeel van het nieuwe Koninkrijk Italië en is tweetalig. In de Vallei van Aosta liggen drie belangrijke wandelgebieden:

Mont Blancgebied

Aan de westkant ligt het Mont Blancgebied op de grens met Frankrijk. De Mont Blanc, met 4810 m het hoogste punt van de Alpen, domineert met een bijna 40 km lange muur van sneeuw, rots en ijs de bloemenrijke bergdalen Val Veny en Val Ferret.

Gran Paradiso

Aan de zuidkant van de Vallei van Aosta ligt de 4061 m hoge Grand Paradiso, de enige vierduizender die geheel op Italiaans grondgebied ligt. Het Parco Nazionale del Gran Paradiso is het oudste nationale park van Italie, beroemd om zijn steenbokken. Het vroegere mijndorp Cogne is het toeristische hart van Italië’s populairste berggebied. Hier starten prachtige wandelingen over goed onderhouden muildierpaden die het koninklijk huis van Savoye gebruikte tijdens de jacht. Veel van die wandelpaden, zoals die naar rifugio Sella, behoren (terecht) tot de meest belopen paden van Italie. Aan de oostkant van de Gran Paradiso ligt het natuurgebied Mont Avic, een nog weinig bekend gebied waar men prachtige wandelingen kan maken naar hooggelegen bergmeertjes. Door de Gran Paradiso loopt de Alta Via 2, een meerdaagse trektocht van Courmayeur naar Champorcher.

Italiaanse Walliser Alpen

Aan de noordkant van Aosta ligt aan de grens met Zwitserland een hele rij bergdalen, de Italiaanse Walliser Alpen met hoge 4000-ers als Grand Combin, Monte Cervino (Matterhorn) en Monte Rosa. In de Italiaanse Walliser Alpen zijn pittige bergtochten te maken naar hoge toppen en berghutten aan de voet van vergletsjerde bergen. De beroemdste route is de Alta Via 1, het hoogtepad tussen Gressoney en Courmayeur. Van west naar oost liggen hier zes bergdalen, die aan de noordkant telkens worden afgesloten door vierduizenders.

Lombardije

De regio Lombardije bestaat voor meer dan de helft uit bergen en is het meest complexe, en het meest gevarieerde deel van de Italiaanse Alpen. Op nog geen 100 km van de hoofdstad Milaan liggen prachtige bergmassieven, elk met een eigen karakter.

Aan de noordkant vindt je de hoogste bergen van Lombardije langs de grens met het Zwitserse kanton Graubünden: Monte Disgrazia (3678 m), Ortler (3900 m), en Piz Bernina (4049 m). Ten zuiden deze Alpenkam ligt een hele serie voorgebergten (prealpi), van elkaar gescheiden door lange bergdalen (Valtellina, Val Camonica) en de Noord-Italiaanse meren (Lago Maggiore, Lago di Lugano, Lago di Como, Lago d’Iseo en Lago di Garda). Juist die combinatie van bergen en meren maken Lombardije zo afwisselend.

Vooral de voorgebergten bieden ideale wandelmogelijkheden vanwege hun geringe hoogte (tot 2000 m), waardoor men er een groot deel van het jaar kan wandelen. De voorgebergten worden naar het oosten toe steeds breder en hoger, tot ze uiteindelijk overgaan in de Dolomieten. Van west naar oost de belangrijkste Lombardische bergmassieven:

Comomeer

Het Comomeer met zijn voorgebergten. Van de grote Italiaanse meren is het Comomeer volgens velen het mooiste. Het 45 km lange meer heeft een omgekeerde Y-vorm, met 400 m diepe zijtakken, en wordt omgeven door steile bergen. Het Comomeer, of ‘il Lario’, zoals sinds de Romeinse tijd wordt genoemd, is een wereld van contrast: van de oevers op 200 m boven zeeniveau rijzen de bergwanden steil omhoog tot meer dan 2600 m hoogte. Onder langs het meer heerst een aangenaam klimaat, beschut door de hoge bergen, waar het ’s winters zelden vriest en olijven, palmen en subtropische planten groeien. Een van de aangename dingen van het Comomeer is dat je er een groot deel van het jaar kunt wandelen.

De bergkammen boven de westoever worden de Monti Lariani genoemd, en zijn maximaal 1700 m hoog. Je kunt hier wandelingen maken naar de uitzichtbergen Monte Colmegnone, Monte Generoso of Monte Crocione. De plaats Menaggio, halverwege het meer, is het uitgangspunt voor wandelingen naar de Monte Grona, of het langeafstandspad Via dei Monti Lariani.

Het berggebied tussen de benen van het Comomeer wordt Triangolo Lariano genoemd en bestaat uit lange beboste bergruggen met als hoogste top de 1681 m hoge monte San Primo. De tocht over de ‘dorsale’ of ‘rug’ van de Triangolo Lariano hoort tot de mooiste kamwandelingen van Italië.

De toppen die hoog oprijzen boven de oostoever vallen uiteen in geïsoleerde berggroepen, escheiden door diepe bergdalen. Tussen het Valle Varrone en het Valsassina ligt de Monte Croce di Muggio, waar je met de auto tot vrijwel naar de top kunt rijden. Ondanks zijn geringe hoogte van 1800 m biedt deze berg een van de mooiste panorama’s op het Comomeer.

Grigna

Boven de zuidoosttak van het Comomeer, het Lago di Lecco, ligt de Grigna, een uniek kalkgebergte met luchtige paadjes en spannende rotstorens, ‘de Dolomieten in het klein’. Klimmers en liefhebbers van ‘Via Ferrata’ kunnen hier hun hart ophalen.

De Alpi Orobie

(tussen Valtellina en Povlakte) is haast geen voorgebergte meer te noemen met toppen die oplopen tot de 3000 meter hoogte. De Alpi Orobie is een vrijstaand gebergte, waarvan de noordkant in de provincie Sondrio ligt en de zuidkant in de provincie Bergamo. Vanuit de stad Bergamo lopen de bergen geleidelijk op tot de Pizzo di Coca (3050 m), de hoogste berg van het gebied. De Alpi Orobie zijn beschermd in het Parco Naturale delle Orobie.

Lago d’Iseo

Ten zuidoosten van de Alpi Orobie ligt het Lago d’Iseo op 280 m hoogte, een van de kleinere Italiaanse meren. Je kunt hier heerlijk bijkomen na een flinke bergtocht. Het Lago d’Iseo is een goede uitvalsbasis voor tochten in de bergen ten westen (Alpi Orobie), ten noorden (Adamello) of ten oosten (Monte Giuglierma) ervan, en zelfs voor een wandeling in het meer! Midden in het Lago d’Iseo ligt namelijk de Monte Isola. Dit grootste mereneiland van Italië, 4,5 km2 groot, met een omtrek van 10 km, is een minigebergte met een klooster op de 600 meter hoge top. Op dit toeristische eilandje is een heuse bergwandeling te maken over stille geplaveide bergweggetjes.  

Val Màsino en Val Codera

Ten noorden van het Comomeer ligt een van de mooiste delen van de Italiaanse Alpen: het Val Màsino en het Val Codera, prachtige bergdalen op de grens met Zwitserland, aan de voet van beroemde granietbergen zoals Pizzo Badile en Pizzo Cengalo. Het boveneinde van het Val Màsino, het Val di Mello, is beroemd vanwege de lange klimroutes op granietplaten of “placchi”. Ook voor wandelaars zijn er in het Val Malsino veel mogelijkheden, van gemakkelijk tot zeer uitdagend. Ultieme trektocht is de Sentiero Roma, een hoogtepad dat de verschillende berghutten met elkaar verbindt zonder te hoeven afdalen, dat permanent boven 2000 m hoogte rond het Val Màsino slingert.

Net als het Val di Mello is ook het afgelegen Val Codera autovrij. Codera is een van de laatste bewoonde bergdorpen die waar je alleen via een fraai aangelegd muildierpad naar toe kunt klimmen.